'Een blauwe reiger in Nederland, volwassen geworden en dromerig en daardoor langzamerhand uune truuïte bleuje, Jerôme de Flaudeville...'
uit 'Mijn vader inspecteerde iedere avond de Nijl' van Anton Koolhaas.

'Een blauwe reiger in Nederland, volwassen geworden en dromerig en daardoor langzamerhand uune truuïte bleuje, Jerôme de Flaudeville...'
uit 'Mijn vader inspecteerde iedere avond de Nijl' van Anton Koolhaas.
''Me grasje even buigen
me grasje even recht
me pasje even ruigen
me pasje is niet slecht,' mompelde de lemming Redelijke Roets en toen draaide hij zich bedrijvig om een steentje, zodat hij het met zijn achterlijf omver wierp.'
Uit 'De laatste steen' van Anton Koolhaas.
'Aangenomen, dat alles goed geregeld is, dan ben ik de laatste tijd tamelijk nijdig, dacht de beer Burlòt, ook al moest hij toegeven dat hij tegenwoordig zijn gedachten minder goed kon uitwerken, dan vroeger het geval was.'
Uit 'Kou' van Anton Koolhaas
Ik leef, dacht Branoul, en ik heb veel inhoud. Dat vlees hoort er natuurlijk allemaal bij, maar ik heb er niet veel overzicht over. Ik moet vol zitten met spelonken en grotten waar ik geen weet van heb.
UIt 'Een mannetje in de kop en de vis' (1959), van Anton Koolhaas
‘Meestal is alles voor altijd!’ fluisterde de goudvis Zuulwe tegen de sluierstaart Sloer. Sloer heette nog niet zo veel jaren zo. Toen hij nog kleiner was, droeg hij de naam Sleeta.
UIt 'Het water van Lubbertol' (1960) van Anton Koolhaas.
‘Het is de schraapzucht, gentlemen’, met deze woorden streek de meeuw Tractaal dan eindelijk neer tussen een stuk of zeven andere meeuwen, die op een vlonder aan de kade zaten te denken aan de notities, die zij moesten kunnen maken.
UIt 'De bijeenkomst' (1957)